Daar zitten we dan, in een internetcafé in Siem Reap. De reis hier naartoe was een hele onderneming, gisteren. ‘Iedereen kan backpacken’ zeiden we laatdunkend over Chiang Mai, nou, de grensovergang Poi Pet is een ander verhaal. Het vereiste heel wat stalen zenuwen om de onzekerheden van deze dag te doorstaan! De bus naar Aranya Prathet (Thaise zijde van de grens) was al spannend, omdat we niet zeker wisten of het wel de juiste was. Vervolgens werden we door een vriendelijke tuk-tuk naar de daadwerkelijke grensovergang gebracht, maar niet voordat we bij een ‘visum-kantoor’ waren gestopt. Gelukkig hadden we in de Bijbel (lees: Lonely Planet) gelezen dat je je visum prima aan de grens zelf kan regelen, dus gingen we vol goede moed (Marieke) en engiszins nerveus (Anne) richting grens. Nadat we Thailand uit gestempeld waren en langs de casino’s in niemandsland richting Cambodja liepen, werden we door een agent apart genomen. Visum nodig? Hmtja, eigenlijk wel. Na een vreemde sessie aan een houten tafel die ons $25 kostte, kregen we ons paspoort terug met een mooie groene plakker erin. Nu maar hopen dat we een echt visum hadden gekregen… Gelukkig bleek dat zo te zijn, en nadat we vriendschap hadden gesloten met een Brits duo en de beruchte ‘pink shirts’ (opdringerige maffia-achtige reisagentjes) hadden afgeschud, kon de reis naar Siem Reap beginnen!

Luxueus zittend met zijn vieren in een personenauto zoefden we over de -voor het grootste deel- geasfalteerde weg. We waren van te voren gewaarschuwd over de weg die een nachtmerrie zou zijn: dit bleek heel erg mee te vallen. Het was wel duidelijk dat dit tot voor kort nog anders was. Op een gegeven moment kwamen we steeds meer wegwerkers en walsen tegen, tot de weg simpelweg ophield en onze chauffer onbezorgd doorstoof over de keien. Tijdens deze privé-rit konden we Cambodja eens goed bekijken, en op het eerste gezicht deed het nogal aan Nederland denken, maar dan in extreme droogte: compleet plat, met hier en daar een boompje. Hoe dichter we bij Siem Reap kwamen, hoe meer groen er opdook, tot we opeens tussen de resorts, hotels, en wuivende palmen reden. Natuurlijk kon de taxi ons niet helemaal naar de plaats van bestemming brengen, dat moesten zijn Tuk-tuk besturende vrienden doen. We snapten nadehand wel waarom: hoe verder we de kleine kriebelstraatjes van Siem Reap in reden, hoe stoffiger en smaller de weg, tot het gewoon een droog oranje zandpad werd. En daar hebben we ons voorlopig gevestigd, in een lovely guesthouse met een gezellig dakterras.

We hebben besloten om Siem Reap maar eens rustig in ons op te nemen, want alle verschillende indrukken hebben ons nu al een tollend hoofd bezorgd. Het is duidelijk dat Cambodja en Thailand allebei in Azië liggen, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Onze zorgvuldig opgebouwde kennis van de cultuur en taal van Thailand is in een klap onbruikbaar geworden, voornamelijk ook vanwege de rivaliteit tussen de twee landen. ‘Gutentag’ zou je in Nederland waarschijnlijk nog best waarderen, een ‘Kop khun kha’ wordt beloond met een ijzig glimlachje. Dit zijn geen beste buren.

Het meest overweldigende, zelfs in het rijke Siem Reap, zijn de tegenstellingen. Zoals gezegd is onze straat niet geplaveid, maar loop drie blokken om en je staat in een soort van New Orleans-achtige Korte-Put-straat. De Franse invloed is duidelijk te zien en geeft de straat extra sfeer dankzij de bouwstijl en knusse lampjes, maar het extreem afgewerkte botst te erg met de kale woonkamers waar we even verderop naar binnen kunnen gluren. Vanochtend hebben we geluncht bij een restaurantje aan de rand van het centrum. Anne kreeg haar lunch eigenlijk niet op, en zat moeilijk te wikken en te wegen over het wel of niet tegen heug en meug opeten. Opeens kwam er een vrouw met een kind op haar rug aan. We dachten eerst dat ze aan het bedelen was, tot ze naar Anne’s bord wees. Natuurlijk hebben we haar dat gegeven, ze nam het mee en ging er op een pijnlijke twee meter afstand mee op de grond zitten. Binnen een minuut was het eten op, en bracht ze het lege bord terug.

Na deze ervaring maken we onze borst nat, en bereiden we ons nog maar eens dubbel voor op de komende paar weken. We houden ons maar voor dat toerisme ook geld in het laatje brengt, wat tenminste nog enigszins helpt. Dag Thailand, we missen je al…!!

* * * * * Summary for our English Readers * * * * *

There we are, in internet café in Siem Reap. We know that in one of our last stories we wrote that anyone can go backpacking, well, crossing the Thailand-Cambodia border is a bit of a different story! Our day yesterday required quite some nerve, from the bus that took us there (which we were only sure of when we arrived at the border) to the tuk-tuk that made us see some questionable ‘travel-agents’ before taking us to the border. Luckily we read in our Bible (the Lonely Planet) that acquiring a visa at the border is completely doable. It was quite weird getting stamped out of Thailand first, ending up in a kind of no man’s land stacked with casino’s, but without a visa for the next country. It wouldn’t take long though, a nice officer had no trouble picking us from the crowd right there. After a debatable session that involved handing over $25 and sitting across from men in uniforms for a while, we ended up with nice green stickers in our passports. Anne was still completely nervous of course, but they turned out to be actual visa, and before we knew it we had befriended a British couple and were on our way to Siem Reap in a ‘taxi’.

Most of the road to Siem Reap was paved in the shiniest new asphalt, which was odd, because people had warned us about the state of the road. Getting closer to Siem Reap we saw that it was still a work in progress, as road workers and heavy machinery increased in number, until the asphalt was suddenly just gone, and we were speeding over rocks and sand. This didn’t seem to bother our driver, so we were happy enjoying the view that looked surprisingly Dutch: flat, with bicycles, but much dryer. Closer to the city the scenery started to ‘green up’, hotels, resorts, and palm trees appeared. Of course our taxi couldn’t drive us all the way: that had to be done by tuk-tuks. We were to find out soon enough why: as we entered the back streets of Siem Reap the roads got more and more narrow and more dusty. And that’s where we are based now: at the end of a dirt road, in a lovely guesthouse with a roof terrace.

We have decided to take it slow here in Siem Reap, taking everything in bit by bit. Our heads are spinning as it is with all the new impressions! It’s quite clear that Cambodia and Thailand are both in Asia, but that’s about all you can say about them. Our knowledge of Thai culture and language is useless here, partly also because of the intense rivalry between the two. A German ‘hello’ would probably be appreciated in the Netherlands, a ‘Kop khun kha’ is received with the thinnest of smiles here. These two neighbors aren’t the best of friends!

The most striking, even in relatively wealthy Siem Reap, are the contradictions. As you know our street isn’t paved, but turn a few corners and you’re looking at a polished New Orleans-duplicate. The French influence makes it all look very cosy, buildings and lights and all, but it’s a painful contrast with the empty living rooms we encounter just down the street. This morning we had lunch somewhere near the center of town. Anne couldn’t quite finish, and was doubting whether to force it down or not. Suddenly a woman with a little child in a sling on her back appeared at our table. At first we thought she was begging, until we saw her point at Anne’s plate. Of course we gave that to her, she took it with her and sat down on the ground, an awkward six feet away. Within moments the plate was empty, and she brought it back to the table that way.

After this experience, we are seriously preparing ourselves for what is to come. We tell ourselves that tourism brings money, and hopefully a bit of it will end up in the right places. Goodbye dear Thailand, we miss you already..!!